maandag 1 februari 2016

Droom: Ik Jan Cremer

“I’ll let you be in my dreams if I can be in yours”
I said that
(Uit: Talkin' World War III Blues, 1963)

Ik droom dat ik aan het bellen ben met een collega-ouderling. Hij heeft drie vragen aan me. De eerste gaat over Bob Dylan. Deze mede-ambtsdrager leest momenteel Ik Jan Cremer III, het derde boek van Cremers autobiografie. De vraag is helder: was Dylan inderdaad halverwege de jaren zestig verslaafd aan de drugs, zoals Cremer betoogt? Als goed ingevoerde Dylan-liefhebber, zou ik wel raad weten met deze vraag.
Ik antwoord dat ik het niet uitsluit wat Cremer over Dylan zegt. En dat het zelfs goed zou kunnen. Je moet weten, zeg ik in mijn beantwoording, dat Dylan in die jaren behoorlijk druk en actief was. Hij stapte over van akoestische naar elektrische muziek, maakte in mum van tijd drie albums (waaronder één dubbel-album) en toerde over de hele wereld.
Het zou dus goed kunnen dat de liedjessmid drugs gebruikte om op energie en creativiteit op te doen. En dat Dylan zijn motorongeluk gebruikte om zowel zijn agenda leeg te maken, als om in alle anonimiteit af te kicken. Na dit ongeluk duurde het nog zo'n anderhalf jaar voordat een nieuw studio-album van de zanger werd afgeleverd. John Wesley Harding, een oudtestamentisch album (verwijzen de initialen naar Dylan's God: John Wesley Harding → JHWH?), een zoete stem en een voorzichtige stap naar de country.
Met deze prachtige volzinnen heb ik de eerste vraag van de mede-ambtsdrager beantwoordt. Daarna volgt een vraag over ons gezamenlijk ambtswerk. Maar die vraag krijg ik al niet helder meer binnen. De derde vraag is nooit gesteld. Ik bevind me namelijk in dat schemergebied tussen slaap en ontwaken. Dat gebied waarbij je weet dat je droomt. Om die droom vast te houden houd je je ogen nog dicht – als je je ogen open doet, spat de droom als een luchtbel uit elkaar.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen